zondag 31 augustus 2008

Brief aan God

Beste God,

Soms zou ik willen verlangen dat ik iets verlang. Vind u dit raar? Want ik heb meestal niets te verlangen. Ik moet u allereerst eerlijk bekennen dat ik het gevoel van verlangen op dit moment in mijn leven zelfs helemáál niet ken, wel hérken. Ik ben een tevreden mens, en ik heb zelfs al moeite met het verlanglijstje van mijn verjaardag, iets wat ik al jaren geleden af heb geschaft. Niet de verjaardag, maar het lijstje. Maar het gaat natuurlijk nog meer over het verlangen naar vrede, rust, gerechtigheid en liefde. Maar ook daarin ben ik gelukkig. Het is natuurlijk ver te zoeken in de wereld van nu, dat weet ik. Maar ik verwonder me liever over uw wondermooie schépping die ik dagelijks mag ervaren, dan dat ik mateloos verlang naar datgene wat we als mensen tóch niet kunnen bereiken. En er is veel verkeerd, dat ziet u ook wel net zoals ik het zie. Maar ik laat me er niet door afleiden.
De wereld verhard en ik blijf ook volharden? Een overlevingstechniek? Moet je eerst op de puinhopen van het leven zijn geweest om te kúnnen volharden? Wat denkt u, God?
Er zijn maar weinig mensen waarin ik mijn eigen optimisme en manier van levensgenieten herken. En of ze allemaal tot aan de grond geweest zijn dat weet ik niet eens, dus laat ik erg voorzichtig zijn. Verlangen naar vrede op aarde? Ik doe het niet, want waarom zou ik, als u zelf zegt dat die vrede er niet komt, maar enkel en alleen op het moment dat uw zoon terugkeert en alles dan recht getrokken wordt? Er is vrede in mijn hart. Laat ik dat dan maar koesteren, toch? Mag dat? En mag ik dan gewoon gelukkig zijn met de eerste sneeuwvlok die valt in de winter, of de lente die zich aankondigt? Mag ik gelukkig zijn met de grenzen van mijn eigen kunnen, zonder te verlangen naar steeds maar meer? En waarom zou ik me druk maken over de armoede, als armoede van alle tijden is en alle eeuwen? Vergis u niet God, ik bedoel niet dat me het niet interesseert en dat het me niets doet als ik de zwarte, magere lichamen zie, brandend in de zengende hitte van de tropenzon. Maar ik kan er zo bitter weinig aan doen. Ik kan enkel tevreden zijn met wat ik heb. Want alleen al het verlangen naar steeds meer, zou mij toch onderdeel maken van de graaicultuur van deze zieke consumptiemaatschappij? Dan zou ik me toch júist schuldig moeten voelen, als ik kijk naar de honger en al het onrecht in de wereld?
Ik heb geen verlangen nodig God, tenminste nu niet. Maar ik ken de toekomst niet. Ik ken wel het laatste hoofdstuk, dat is genoeg voor mij, en dat is genoeg voor vandaag. Of mag ik dan misschien toch een klein beetje verlangen? Het verlangen dat ik nooit het grote verlangen nodig zal hebben? De tijd zal het leren, en uiteindelijk komt alles goed. Daar ben ik u dankbaar voor.

zaterdag 30 augustus 2008

Afscheid van de zomer

Dit weekend zal het laatste mooie weekend gaan worden deze zomer. Dat is tenminste de verwachting die Gerrit Hiemstra uitsprak, gisteravond, tijdens het weerpraatje op het NOS-journaal. We hebben het gehad, en volgende week zakken de temperaturen alweer. Afscheid van de mooie avonden buiten, het groeiende gras, de libelles op de zonnewijzer en de augustuswespen.

Vandaag nog even heerlijk de tuin wassen en watergolven, buxus knippen en stoepje vegen. De schaduwen worden elke dag langer, en het begint alweer steeds vroeger te schemeren. De zomer is voorbij, alhoewel we nog niet weten wat september zal gaan brengen, want er kunnen flinke uitschieters tussen zitten. Wat gelukkig óók voorbij is, is de eindeloze stroom van informatie in de weerpraatjes elke dag na het reguliere nieuws. Want de hele zomer lang werd de Nederlandse televisiekijker, net als voorgaande jaren, elke avond opgezadeld met zinloze weersvoorspellingen uit het buitenland. Als ik in Zuid-Limburg op vakantie ben, kan het mij weinig schelen wat voor weer het is in het zuiden van Spanje of de Dolomieten. En je maakt mij niet wijs, dat als je in Turkije op vakantie bent, je dan RTL4 gaat kijken om te zien wat voor weer het daar is. En dat is nog niet eens het ergste. Die foto’s van mensen in regenjassen, met paraplu’s en opspattend water, komen zo langzamerhand ook je strot uit. Hoe houdt zo’n kerel als Peter Timofeef, (ik zal het wel niet goed schrijven), het in de lieve vrede vol om elke avond maar steeds dezelfde plaatjes op het scherm te tonen, en daarbij ook nog eens hetzelfde verhaal te vertellen. Ja, de zomer is af en toe nat in Nederland, dat weten we zo langzamerhand nou wel. En ik ben natuurlijk erg blij met de, goedbedoelde, aanbevelingen die Peter zomaar voor hetzelfde geld aan de kijker opdringt. Mooi weer betekent een terrasje pakken of naar het strand, en als het regent kun je maar beter de paraplu opzetten. Nou Peter…bedankt!! Ik was er niet opgekomen, maar ik maak zélf wel uit wanneer ik naar het strand ga of mijn paraplu op zet. Ik heb er geloof ik niet eens eentje.

En ik kan het niet helpen, maar als Timofeef in beeld komt dan moet ik altijd denken aan een kleerkast. Beetje houterig met zijn armen, en als hij het woord “móóógen” uitspreekt lijkt het wel alsof hij een hete aardappel door zijn strot naar buiten perst. Maar kijk nou naar mij, ik trek ook geen volle zalen zeg ik dan maar. Als ík soms aan het woord ben loopt ook bijna iedereen misschien wel hard weg, en ben ik dus blij dat ik schrijf…
Nog een pikant detail van Peter is dat hij praat met heftige tempowisselingen. Net een snelle auto op maandagmorgen in de file op de A2. Dan weer gas geven, dan weer afremmen, en als het even kan in dezelfde zin, wel zes keer. Maar goed, genoeg over Peter, en terug naar het weer.

Ik zou het haast vergeten, maar het weer in China moest ook nog even worden vermeld. Er waren tenslotte Olympische Spelen, en het is natuurlijk bijzonder schadelijk als we niet weten of de honderd meter horden in de regen wordt gelopen of in de stralende zon.
Als wij dit weekend gaan barbecuen, maakt toch ook geen mens zich druk om het weer bij ons in Kampen? Nou moet ik zeggen, wij trekken natuurlijk niet zoveel aandacht als de sporters in China, maar we zijn mínstens éven belangrijk! Maar van mij mag Timofeef, zijn praatje houden hoor, en hij mag wat mij betreft alvast beginnen over de kans op een witte kerst, want er hoeft maar één vlok natte sneeuw te vallen in november of ze beginnen er al over…Nee, ik ben echt toe aan al die prachtige foto’s en voorspellingen over de winter. Ik zie er naar uit. Héérlijk, die lange winteravonden…

dinsdag 26 augustus 2008

En zo ging dat...

In 1977 deed ik eindexamen MAVO. Het was in de tijd dat ik zorgvuldig plaatjes selecteerde uit het programma Arbeidsvitaminen en opnam. Van tevoren zorgde ik dat ik het cassettebandje klaar had staan, om precies op tijd de rode knop samen met de “play-knop in te drukken. Money money money en Waterloo van Abba waren toen liedjes die er zeker bij hoorden. Maar ook Albert Hammonds I’m a train en Jan Klaassen de Trompetter van Rob de Nijs. De muziek stemde me vrolijk en het was voor mij een manier om weg te vluchten van die vervelende school waar je van alles moest en niet wilde. Maar in dezelfde tijd was ook Boudewijn de Groot favoriet. In het Testament klonk een stil protest tegen ongeschreven regels op school en thuis. Mijn vader bulderde en mijn moeder temperde als ik weer eens over de schreef was gegaan in hun ogen. Toch was thuis veilig, maar zeker ook lastig tegelijkertijd.
Ik kreeg mijn eerste vriendinnetje, (natuurlijk veel te jong), en draaide het eerste shaggie. Onder de gevoelige klanken van Julien Clerc’s This Melody deed ik “het” voor het eerst. Natuurlijk had je ook de toppers Child in time van Deep Purple en Nights in white satin van de Moody Blues. Maar dat was gewoon toen mijn muziek niet. Nee, de gemakkelijke meestampers van Mud en Status Quo deden het bij mij beter.
Toen ik twintig jaar was trouwde ik, maar nog steeds onder invloed van het kunstje wat ik thuis “geleerd” had. Mijn drie oudere zussen waren volgens het regeltje getrouwd en ik deed het kunstje na. Tien jaar later jaren, in 1990, was het voorbij, na lange strijd met mezelf en de christelijk opvoeding, want uit elkaar gaan was geen optie. Gij zult geen echtbreuk plegen, zo staat er onverbiddelijk geschreven. Ik ging diep, dieper dan de al of niet meelevende broers en zussen ooit hebben kunnen vermoeden. Ik dwaalde weg op de klanken van de Verdronken vlinder van Boudewijn de Groot, soms diep in tranen, soms met een bevrijdende ontlading, en een mooie jonge meid hielp mee om de uiteindelijke beslissing te forceren. Het was in de tijd dat de Golfoorlog een feit was, en dat ik afscheid moest nemen van mijn kinderen. Mijn ouders veroordeelden me in eerste instantie maar haalden later hun zoon terug. Het veilige gevoel dat ik eerder van thuis had meegekregen was dus altijd terecht geweest, en ik merkte dat ze mijn wegen niet altijd begrepen maar wel altijd mijn vader en moeder zijn gebleven.
Een tweede huwelijk bleef vijf jaar stand houden, van het begin gebaseerd op uiterlijkheden en de buitenkant van het leven. En ik was kapot van verdriet, omdat ik me had ingebeeld dat zij de gene zou zijn met wie ik voor altijd door het leven wilde gaan, en nu zelf aan de kant werd gezet. “Zelfs je naam is mooi” van Henk Westbroek bleef me achtervolgen tot twee jaar na de scheiding. Toen leek het alsof het leven me weer begon toe te lachen. In mei 2000 vertrok ik naar Nieuw Zeeland, en ben in het vliegtuig gestapt zonder verwachtingen naar de toekomst. Onder mijn lederen cowboyhoed zwierf ik over de vliegvelden met op de walkman Calypso van John Denver. Ik moest ver weg gaan om te ontdekken dat het goed is in het land waar ik mijn wortels heb liggen, want een half jaar later zette ik weer voet op Nederlandse bodem met helemaal niets. Opnieuw beginnen dus, en de Euro deed zijn intrede. Ik liet de dogma’s van vroeger flink achter me en leidde een leven waarin ik bijna alles deed wat God heeft verboden. The Dire Straits vond ik helemaal geweldig en Bryan Adams’ Summer of ‘69 gaf me een heerlijk gevoel. Twee jaar later klikte er iets moois tussen twee mensen, al had ik op het dat moment zelfs geen idee, hoe het verder zou lopen. Het werd zelfs erger dan “gewoon” verliefd zijn. Ze heeft een hart van goud, eerlijk in het leven en eerlijk naar zichzelf. Niet gemakkelijk, maar dat ben ik ook niet. We wonen samen en het leven is goed. En als een bootje dat langzaam uit de mist komt varen, en zijn contouren steeds helderder prijsgeeft, zo klinkt ook steeds sterker het prachtige lied van Paul de Leeuw, ik heb je lief. Het leven heeft genomen en het leven heeft gegeven. Niets is zeker, en vandaag gebeurt alles. Gisteren is voorbij, en morgen zal altijd morgen zijn. Ik heb het leven lief…

Gianni Alemanno

De reactie van burgemeester Gianni Alemanno op de brute roofoverval bij Rome, waarbij een Nederlandse man in elkaar werd geslagen en zijn vrouw werd verkracht, zette kwaad bloed bij de oppositie. “Als mensen gaan wild kamperen kan ik hun veiligheid niet garanderen,” aldus
de burgervader. En dat viel verkeerd bij de oppositie.
Natuurlijk heeft Alemanno helemaal gelijk, want waar ter wereld kunnen bestuurders honderd procent veiligheid garanderen? Nergens toch? Maar het gaat natuurlijk om de toon en de timing van de uitspraak. Misschien had dat iets zorgvuldiger gekund. Want, ook al had het echtpaar een reguliere camping uitgezocht, dan zou de burgemeester evenzeer geen honderd procent veiligheid hebben kunnen garanderen. Kwaadwilligen zitten overal.
Maar de bóódschap van Alemanno is natuurlijk glashelder. En door zijn medeleven aan de slachtoffers toont hij alleen maar aan dat hij zich distantieert van elke vorm van zinloos geweld, en dat hij naast burgervader ook nog méns is.

zondag 24 augustus 2008

Bloemencorso, the day after...

We rijden langs de Strenkhaarsweg. Even tussen haakjes, dat zijn tenminste nog eens namen. Vroeger konden ze er wat van. Strenkhaarsweg…, ik zeg het nog maar eens een keer. Tegenwoordig hebben we de Computerweg en de Printerlaan, afgezaagder kan het niet! Op zich is het rijden, in het vroege ochtendgloren, over de Strenkhaarsweg richting Lemelerveld al een bijzondere ervaring. De dauw hangt nog over de velden, en de wolkenluchten contrasteren tegen de achtergrond van het boerenland. Hier en daar pruttelt al een vroege boer met zijn trekker over het land, en een brommer schiet ons voorbij om knetterend zijn weg te vervolgen en te verdwijnen in een flauwe bocht. Af en toe zie je een boerderij half verscholen achter rododendrons en coniferen. De stilte van het platteland rúik je gewoon, gecombineerd met de geur van stront en gras. Beter kan het niet. In deze oase van rust en natuurlijke weelde “schuiven” we langzaam dromend en genietend aan op Lemelerveld.

En dan, dan staat hij daar plotseling! Als een spook, zomaar uit het niets van het ene ogenblik op het andere. Ruw op de boerenakker geschoven, scheef, en ongenadig afgedankt! De wagen met uitgebloeide dahlia’s. De wagen die een paar dagen geleden nog, in zijn volle bloeiende verschijning, onderdeel was van het corsofeest. De wagen die bloeide en statig zijn weg zocht in de stoet, onder het toezicht van honderden dorpelingen langs de straat. De met bloemen versierde zwanen, (met zorg gemaakt door alle vrijwilligers), bogen voor het publiek.

Daar staat hij nu, midden op de boerenakker. De bloemen zijn dood, grauw en grijs, en er is niets meer van over. Het is een troosteloze aanblik, en het is net of je nog de nagalm hoort van het zingend publiek dat langzaam wegsterft bij het “wrak”. Het is bijna griezelig, zo’n ding daar op die akker. Gisteren nog volop in bloei, en midden in het leven. En nu is hij afgedankt, dood, en al bijna weggeteerd.

We rijden door, we zijn gelukkig, en we kopen een bos lelies bij het stalletje aan de weg, aan de Strenkhaarsweg…

zaterdag 23 augustus 2008

Walvisbaby

Je zou het haast vergeten, maar naast alle aandacht voor de Olympische Spelen was er natuurlijk ook nog ander nieuws de afgelopen weken. De vliegramp in Madrid, de oorlog in Georgië, het stagneren van de economische groei en het reanimatiebeleid van een verzorgingshuis in Amersfoort. Maar wat mij nog het meest bezig hield, is de walvisbaby die zijn moeder was kwijtgeraakt. Gelukkig is het dier nu uit haar lijden verlost door een ingreep van natuurbeschermers in Australië. Maar het ging me door merg en been toen ik de beelden zag. Een ziek jong dier, hulpeloos drijvend op de golven van de grote oceaan, dat een jacht aanziet voor zijn moeder en wil gaan drinken. Onophoudelijk stootte hij met zijn neus tegen het harde kunststof van de boot. Het dier was compleet verzwakt door de honger en gehavend door aanvallen van haaien. “Walvisjong ziet jacht aan voor moeder” kopte de krant, en het hartverscheurende tafereel werd breed uitgemeten door de televisiezenders. Twee dagen later stortte in Madrid een vliegtuig naar beneden waarbij een groot deel van de inzittenden om het leven kwam. Het is van een totaal andere orde en het lijkt wreed, maar dat hulpeloze walvisjong krijg ik toch moeilijker van mijn netvlies…

dinsdag 19 augustus 2008

Engelbewaarder

“Eerst zien dan geloven”. We zeggen het, als we iets graag willen hebben, maar er eigenlijk geen vertrouwen in hebben. Ach, het zal wel weer op niets uitdraaien, denken we dan. Maar halen we eigenlijk niet deze twee dingen helemaal door elkaar? Zijn “zien” en “geloven” niet van een totaal verschillende orde? Als je iets ziet, dan valt er toch niets meer te geloven? Als we God niet zien, wil dat dan zeggen dat Hij niet bestaat? Mensen die dat beweren, weten in hun hart vast wel beter. Net zomin, dat ik het bewijs kan leveren dat er wél iets is. Wat ik zie, dat ziet een ander misschien niet en kan ik er alleen maar van vertellen. Het gebeurde een aantal jaren geleden op vakantie in Oostenrijk.

Terwijl mijn vriendin en ik onze rugzakken inpakken voor een bergtocht in de Alpen ontwaakt Kirchberg in Oostenrijk. Langzaam verovert de opkomende zon de gekleurde geveltjes en maakt van de bebloemde balkons een schitterend schouwspel. Precies om negen uur rijden we met de pendelbus naar hoger gelegen stuwmeren op zo’n 2000 meter. Het is druk in de bus, we laten het “stuwmeertoerisme” al snel achter ons en beginnen onze wandeling op de Kitzsteinhorn.
Het wordt kouder en we lopen eerst in de zon, dan weer in de regen en even later verdwijnt de berg helemaal in de mist en druipen we in onze natte hemdjes. Even later zitten we zelfs midden in een sneeuwbui. Het pad wordt ruiger en smaller en steeds moeten we elkaar helpen om staande te blijven op de gladde stenen. Wordt het niet te gevaarlijk? Maar we vergeten de angst weer als een grote roofvogel laag over onze hoofden zoeft, en de wolken ver beneden onder ons door glijden en hun schaduwen laten vallen op de spiegelende stuwmeren. We horen helemaal niets, en het is alleen de natuur die spreekt.
Even later verschijnt een jongeman met stoffen puntmuts, ver beneden ons. Alsof hij geen moeite heeft met de steile, rotsachtige weg, komt hij snel naderbij, maakt een praatje in gebrekkig Duits, en verdwijnt vlot achter de berg. Enkele minuten later zien we hem weer met soepele passen voort huppelen over het smalle pad. We kijken elkaar aan, het pad is eigenlijk geen pad meer, en de stenen worden grilliger. We twijfelen, we rillen van kou en van spanning, maar de berg roept en daagt ons uit. Precies op dat moment duikt ook de puntmuts weer op, en de jongeman komt alweer terug het pad af wandelen. Hij lijkt geen enkele moeite te hebben met de voor ons bijna onbegaanbare weg. Onze gast houdt stil en kijkt naar onze gezichten. De andere kant van de berg is somber en grauw door de mist, vertelt hij. En ook is het pad daar vrijwel helemaal verdwenen. We kijken elkaar aan. Achter ons gaapt de gevaarlijke diepte. We keren terug en beginnen opgelucht aan de afdaling. De puntmuts vervolgt zijn weg en we zien hem in een mum van tijd alweer ver beneden ons aan de voet van de berg.

De zon breekt door, en wij arriveren ruim een half uur later bij de stuwmeren. Opeens duikt de geheimzinnige wandelaar weer op. Hij lachte eens, en knikt naar ons. Terwijl hij zijn gezin aan ons voorstelt, wenst hij ons nog een prettige vakantie, zet daarna zijn hoedje op en verdwijnt met zijn familie uit het zicht. We rillen weer, maar nu niet van de kou of inspanning. Engelen bestaan niet? Misschien niet, misschien wel. Wij hebben in elk geval iets prachtigs gezien, daar boven op de Kitzsteinhorn in Oostenrijk. Geloof je ons, of wilt je het graag eerst zien?

zaterdag 16 augustus 2008

Tragedie-Olympus

We zijn halverwege de Spelen in China zo’n beetje, en de Nederlanders doen het niet best. Althans vergeleken bij hun concurrenten. Ze komen net niet op het erepodium of blijven steken ergens onder het midden. Maar dat komt omdat de lat steeds hoger wordt gelegd. De sport is veranderd in de loop der decennia, maar ook de mentaliteit van de sporters. Vooral als ze verliezen, want meestal is het tegenwoordig de schuld van…vult u maar in. Vroeger was sport gewoon nog leuk, en werd er natuurlijk óók verloren. Maar tegenwoordig wordt er vaak een drama van gemaakt. De oorzaak van het verlies ligt vaak aan externe factoren of ze hebben buikpijn. Onze Pieter had last van zijn rug tijdens zijn race, en Marleen werd “even” afgeleid. Vier jaar training naar de kloten, zeggen ze dan. Ik begrijp het allemaal best, want verliezen is niet leuk. Maar als je alleen maar traint om nummer één te willen zijn, en daar blijkbaar vier jaar lang alles voor aan de kant schuift vraag ik mij af of je werkelijk nog kunt genieten van je passie. Laat mij dan maar lekker een dagje fietsen over de Drentse heide…

Galiameloen

Het is “klungelzaterdag”, je kent het wel. Opstaan als de bioklok het aangeeft, en dat is bij ons toch eigenlijk niet veel later dan door de week, een uur of zes. Het is augustus, maar toch kringelt de herfstgeur al via het open raam naar binnen. Koffie zetten, krantje halen bij de pomp, koffie drinken en krantje lezen. Wéér koffie zetten, en nog een keer de krant, (alles lezen wat ik nog even had overgeslagen). Om een uur of negen even naar de winkel. Er is nog bijna geen kip te zien. De groenteboer slaat zoals elke week zijn tenten op, en maakt zijn spullen klaar. Als ik mij naar de ingang van het winkelcentrum begeef valt mij een groot reclame bord op, met de tekst: “Galiameloen, super lekker!” En op hetzelfde moment, (ik kan het nou eenmaal niet helpen), ontvouwt zich in mijn brein een tsunami van gedachten en overpeinzingen. Want, wie heeft bepaalt dat die Galiameloen lekker is? Sterker nog, zelfs súperlekker? En kun je überháupt spreken van een lekkere, zoniet, súperlekkere melóen? Want, die tekst zegt toch helemaal niets van die melóen, maar toch alles van diegene die de tekst heeft opgesteld? Ervan uitgaande dat hij of zij de waarheid schrijft, tenminste, want in de reclamewereld is bijna alles één grote leugen. Wel, misschien lust ik dus helemáál geen meloen, laat staan een Gáliameloen, en ook niet als iemand anders het ding “super” lekker vindt. Ik ga er voor het gemak dus maar van uit dat de opsteller van de tekst die dingen echt lekker vindt. Maar dan zegt het dus, nogmaals, helemaal niets over die meloen maar over hém of háár! Betekent dat dan dat de tekst op het bord volslagen waardeloos is? Nee, allerminst niet, want dan zou ik mijn eigen theorie gaan ondergraven, als ik het tenminste zo formuleer. Ik, zélf, vindt het een waardeloze tekst, omdat het niets zegt van die meloen, en het doel van de reclameboodschap dus volledig wordt gemist. Ik mag toch aannemen dat de tekstschrijver die Galia’s vanavond graag allemaal verkocht zou hebben? Een andere reden zou ik niet kunnen verzinnen. Nog een pikant detail is het gebruik van de aanduiding “super”.
Als we tegenwoordig iets helemaal geweldig vinden dan is het “super”. Overigens, eigenlijk is dit alweer een sterk verouderde uitdrukking die al lang weer op zijn retour is. Tegenwoordig is alles méga, en gíga-lekkere meloen mag natuurlijk óók al.
Terwijl ik alweer in de auto stap, rollen mijn gedachten nog even verder. Mega, giga, en wat krijgen we over een poosje? De uitdrukkingen komen uit de informatica: kilobyte, megabyte en gigabyte. De volgende in de reeks is de terabyte! Duizend gigabyte is één terabyte, voor diegene die geïnteresseerd is. Het is súper! Het is een méga-aanbieding! Het zijn gíga-bananen, en straks krijgen we de overheerlijke térameloenen!

dinsdag 12 augustus 2008

Stadsdichter

Luister naar het huilen van de wind,
als een schim, en dan weer als een hoge snelheidstrein
joeg hij voort op die bewuste dag en vindt,
als 't jachtend zoeken van een kind, 't bewuster zijn

De wind die ook elders wilde gaan,
en daar zijn krachten onverwijld toch prijs moest geven
daar waar zij geen vat kreeg op de bomen in het park,
diep in de warmte van de Zwolse binnenstad

't Was daar, waar 'k peinzend tussen gracht en gordel van gesteent'
moest denken aan de toekomst van de stad
het Zwols taf'reel, straks misschien wel zonder de beschreven kunst,
een stad die huilt en tranen plengt omdat zijn dichter is verdwenen?

Wel hier, ik biedt mij aan, als vader van de ongeschreven tekst,
om Zwolle te bejubelen, maar ook te dragen in tijden van de storm
een stad die het verdiend dat mensen haar omarmen
een stad die 't woord niet schuwt, en zich gedragen weet door dichterlijke kunst.

zondag 10 augustus 2008

Rijgedrag

Een opmerkelijk bericht vorige week in de krant. Verkeerspsycholoog Adriaan Heino stelt namelijk vast dat roekeloos rijgedrag niet meer alléén toe te schrijven is aan jongeren.
Hij bevestigt hiermee de uitkomst van een onderzoek dat gedaan is in opdracht van Centraal Beheer Achmea.
In de eerste plaats vraag ik mij af wannéér en door wíe destijds is vastgesteld dat alléén jongeren zich misdragen in het verkeer? Door helemaal niemand natuurlijk, want dan had je direct allerlei hyperactieve antidiscriminatie groeperingen in de gordijnen gehad. Het zal je maar gezegd worden: alleen jóngeren misdragen zich in het verkeer! Want de ouderen dan? Mogen die niet mee doen? Gelukkig nu weer wél dus, want Adriaan Heino heeft de zaak gered. Ouderen zijn óók wegpiraten toont het onderzoek aan. Gelukkig maar!
En in de tweede plaats, is het allemaal niet een beetje wrang voor het middenkader? Laten we zeggen, tussen de dertig en veertig? Deze mensen hebben toch ook recht op een beoordeling van hun rijgedrag? Gelukkig blijft het lastig om mensen in te delen in hokjes, en ik had het van een verkeerspsycholoog al helemáál niet verwacht…

donderdag 7 augustus 2008

Ik heb iets geks...

Ik heb iets geks. Nou ja, iedereen heeft wel iets geks denk ik, dus het is niet gek dat ik iets geks heb. Nu moet ik zeggen dat mijn “geks” eigenlijk helemaal niet zo dramatisch is. “Leuk” is misschien een betere kwalificatie. Het kan ook gewoon “irritant” zijn, maar dat zou dan meer zijn voor de gene die in mijn buurt is als ik weer eens last heb van mijn “gekte”. Nu heb ik wel meer “gekke” dingen, maar laat ik mij vandaag beperken tot deze ene voorlopig.
Ik ben namelijk buitengewoon overgevoelig voor zaken die niet recht hangen. Met name schilderijen of dingen die op het oog, (míjn oog wel te verstaan), niet evenwijdig lopen met de rest van de lijnen in het vertrek of in de nabije omgeving van het bewuste voorwerp.
En als ik mag constateren dat een portret of een raamdecoratie scheef zit, dan ís dat ook zo! Geen enkele twijfel mogelijk. Ik weet heus wel als je het ethisch bekijkt, dat iedereen zijn eigen waarheid heeft, en dat ik geen argumenten heb om zonder hulpmiddelen het tegendeel te bewijzen. Maar dat is ook eigenlijk helemaal niet aan de orde. Daar is mijn “gekte” weer te leuk voor. En als een schilderij of een vloerkleed in mijn ogen volledig uit het lood hangt, of ligt, ten opzichte van haar omgevingslijnen permitteer ik me gewoon dat ik mijn waarheid als dé waarheid zie! Nameten doe ik het toch niet, dan is de lol er af. Ik ben trouwens niet de enige met deze “gekte”. Soms zijn er medestanders, soortgenoten of zielsverwanten. Zo voelt dat tenminste, als ik niet onbescheiden mag zijn. Want vanmiddag had ik de dankbare taak om al onze telefoons op het werk te voorzien van belangrijke stickertjes met telefoonnummers voor calamiteiten. Na het beplakken van het toestel van een vriendelijke collega, reageerde zij teleurgesteld, maar toch glimlachend: “Ah, hij zit scheef…”.
Ik voelde me ineen zakken, de grond sidderde, mijn hoofd duizelde en ik voelde me klein worden. Wel potverdorie, mijn eigen “gekte”, mijn eigen overgevoeligheid ontmaskerd? Maar mijn gevoel was dubbel. Een zielsverwant? Iemand die mij begrijpt? Ik kon het natuurlijk niet laten zonder enige twijfel mijn collega te voorzien van een nieuwe nette sticker, keurig parallel met de bovenkant van het toestel. Réchter kon je het niet krijgen! En mijn trots kwam weer terug, en verliet ik na een stevige knipoog naar mijn collega, met opgegeven hoofd het kantoor. Mijn gekte was weer gered!

Vrijheid

Vrijheid, een verworvenheid, tevens verankerd in de grondwet, die in de laatste vijf jaar voor velen niet meer zo vanzelfsprekend is. Ruim een jaar geleden durfde veertig procent van de mensen niet meer voor hun mening uit te komen en daarbij ging het vooral om uitspraken over de islam en de integratie van allochtonen. Maar waardoor wordt die angst eigenlijk gevoed?
Het antwoord op die vraag is niet zo heel ver te zoeken, denk ik. We kennen allemaal wel die stoere uitlatingen op verjaardagen en feestjes waarin we afgeven op dé allochtonen, op dé uitkeringstrekkers, op dé islam. En dan wordt er, zacht fluisterend, in één adem toegevoegd: “Je mag het eigenlijk niet zeggen, maar toch…”
En dan moet je eens zien hoe klein we worden, als er plotseling iemand van deze minderheidsgroepen naast ons staat, en zich mengt in de discussie. Wordt het dan tóch een gewetenskwestie? Moeten we dan toch onze toon matigen en nuances gaan aanbrengen?
Toen Theo van Gogh met het woord “geitenneukers” aangaf wat hij dacht, en er een hele bevolkingsgroep belachelijk mee maakte, had hij géén zuiver geweten. Zelfs Pim Fortuyn, een man die het in zich had om Nederland compleet te kunnen hervormen, was in zijn aanloop naar het presidentschap wel eens ongenuanceerd in zijn uitlatingen over de islam.
Geert Wilders voelde zich destijds geïntimideerd door de nationaal coördinator terroristenbestrijding, Joustra. Intimidatie maakt gebruik van iemands onzuivere geweten, onzekerheid en angsten. Had Wilders misschien réden om zich geïntimideerd te voelen? Is zijn film Fitna het logisch product van zijn eigen angsten en onzuiver geweten? De letterlijke betekenis van het woord intimidatie komt uit het Franse timide wat verlegenheid betekent. Precies hetzelfde gebeurt er dus met die veertig procent die niet durft uitkomen voor hun mening, en zich niet vrij voelt in eigen land. Er is dus, zowel bij bestuurders als bij burgers, blijkbaar iets grondig verkeerd in het denken en reageren aan de rechterkant van de samenleving. Maar we zijn toch een democratie en we mogen toch onze levensovertuiging uitdragen in de politiek of er voor kiezen? Natuurlijk, maar dan met een uitgesproken zuivere benadering naar de samenleving en in de omgang met elkáár. Niet alleen in woorden maar in de eerste plaats in ons eigen gedachtepatroon, daarbij ieder ander persoon in zijn waarde te laten. En als we dat menswaardig doen, dan zijn we gelijk van die angst verlost om onze mening uit te dragen. Dan komt het begrip vrijheid, voor al die degenen die zich juist beperkt voelen daarin, een stuk dichterbij. Ik heb nog steeds geen enkele politicus, woordvoerder, columnist, opiniemaker of journalist horen zeggen dat je ook gewoon keuzes kunt maken zónder iemand van een andere cultuur, sekse, of levensovertuiging te discrimineren of te kwetsen. Een voorbeeld. Als ik op Terschelling een strandtent wil gaan runnen met een Hollandse uitstraling, en ik mag kiezen tussen twee sollicitanten voor het beheer van die tent, een zwarte Keniaan op gympen, en een oud-matroos uit Enkhuizen met de sporen van de zeewind nog in zijn geruwd gezicht, dan kies ik voor de matroos. In dit geval laat ik mijn keus dus in belangrijke mate bepalen door het uiterlijk van de sollicitant. Discriminatie op grond van huidskleur, zullen de wereldverbeteraars roepen. Welnee, het is gewoon een simpele keus omdat ik vind dat nummer twee nu eenmaal beter past in mijn strandtent. Het feit dat ik niet kies voor de Keniaan komt geenszins voort uit een veroordeling of discriminatie, en mijn geweten is zo zuiver als glas. Hetzelfde geldt voor de uitspraak: “Nederland is vol”. Als je dit beweert, wil dat nog niet zeggen dat je een hekel hebt aan allochtonen. Ik ben gek op macaroni, maar als ik drie borden heb gehad dan zit ik ook vol, en dat wil dan toch niet zeggen dat ik geen macaroni meer lust? Maar als je keuzes maakt met de verkeerde motivatie of iemand generaliserend afwijst zie je die ander niet meer als gelijkwáárdig en wordt je een gevangene van je eigen gedachten. En dat is precies waarom veertig procent bang is om uit te komen voor hun mening.
Vrijheid begint bij jezelf. Ik heb zelfs mensen ontmoet die precies hetzelfde zeggen, ook al hebben ze de oorlog meegemaakt. Vrijheid is niet te koop, te regelen of te handhaven, noch in de politiek, noch in de bestuurseenheden van de private sector, noch in het electoraat. Vrijheid begint bij ons zélf met het kiezen vanuit een zuiver geweten.

zondag 3 augustus 2008

De psyche van de Nederlandse filerijder

Vooropgesteld, dé Nederlandse filerijder bestaat natuurlijk helemaal niet. Net zo min als dé gemiddelde Nederlander, of dé Nederlandse vakantieganger. Het stempeleffect in de titel is natuurlijk allerminst bedoeld om “dé” Nederlander vast te pinnen op zijn gedrag op de snelweg. Maar die Nederlander bestáát dus helemaal niet, dus niemand kan zich aangesproken voelen. Ik wil het daar trouwens helemaal niet over hebben want het onderwerp “generaliseren” is een heel ander verhaal, dat kan altijd nog…
Op de dag voorafgaand aan de beruchte zwarte zaterdag rijden we, na onze vakantie, vanuit het zuiden des lands terug naar huis. Het is druk maar we rijden nog steeds, en de rijen met auto’s glijden met wisselende snelheden over het beton van de A2. Dan weer om even stil te staan, om daarna weer, snel of minder snel optrekkend, de gaten te dichten bij voorkeur op een andere rijstrook. En dat is nou precies wat mijn aandacht trok, het voortdurend wisselen van rijstrook. Waarom doen mensen dit in vredesnaam? Ik betrap mij erop dat ik vergelijkingen begin te maken met de voortsnellende economie, de overvolle agenda’s, en de ziekelijke jacht op successen in onze tegenwoordige prestatiemaatschappij. Want geen stukje asfalt op de A2 mag onbenut blijven, en ons oerinstinct roept blijkbaar op om er langs te gaan, links of rechts. We duiken een gat in, want we maken ons wijs dat het daar sneller gaat. We willen het eerste zijn, we willen sneller dan die ander! Maar intussen bouwen we onszelf compleet vast, en hebben we geen ruimte meer als er opeens moet worden afgeremd of als we juist even gas moeten geven. Op de snelweg krijg je ongelukken, en in ons dagelijks overvolle drukke leven kan de psyche het niet meer aan en zitten we voor dat je het weet gezellig te babbelen met een psycholoog omdat we een burned out hebben. Opgebrand en volledig doorgedraaid. Misschien moeten we maar eens weer gewoon opnieuw rijles nemen en lekker blijven rijden in je eigen tempo, op je eigen strook? Het is veiliger, het is rustiger, en door de ruimte die we houden hebben we nog tijd om te genieten ook. Zo simpel kan het leven zijn…

zaterdag 2 augustus 2008

Second life

Laatst moest ik in Groningen zijn voor een formaliteit van een paar minuten. Mijn zuster vergezelde me om er tegelijk een dagje uit van te maken. Het is prachtig weer en mijn witte “schicht” glijdt door het Drentse landschap. Al snel zien we de Martinitoren, (de oâle grieze, zoals de Groningers hem noemen), al opdoemen aan de horizon. Altijd denk ik de weg te kennen in een stad waar ik een paar keer geweest ben, maar Groningen blijft lastig. Het is een prachtige stad, maar ik ben er door al het éénrichtingsverkeer vaak helemaal van slag. We doen wat er moet gebeuren, en daarna eten we een broodje in het Kostertje onder de toren. Na de middag bezoeken we één van de stadstuinen die Groningen rijk is en twee “groene” ambtenaren snoeien de rozen. Mijn zuster spreekt de mannen wijs toe: “altijd op het vierde oog hé?”. Haar vingertje wijst, gematigd maar wel dwingend, naar de plek waar volgens haar de roos een knip moest krijgen. Verderop in de tuin verschaffen we ons een plekje in de zon om een beetje uit te rusten van het stadsgewoel, en het volgende tafereel kondigt zich al weer aan. Een jonge man, met camera, schiet een plaatje van een halve vierkante meter stadsmuur. Ik houd mijn nieuwsgierigheid niet in bedwang, en wil daar natuurlijk meer van weten. De man legt uit dat hij foto’s maakt voor het project “second life”, een virtuele samenleving op internet die steeds meer belangstelling krijgt. Hij heeft er zelf gelukkig helemaal niets mee, en het ging hem meer om het fotograferen op zich. En ach, wat moet je ook met een “second life” als je nog mag genieten van zussen met prikkende vingertjes naar rozen, met op de achtergrond de contouren van de “oâle grieze” tegen een strak blauwe hemel op een mooie dag in Groningen? Helemaal niets toch?