vrijdag 27 februari 2009

Parkeerbeleid

Het moest er tóch een keer van komen...

Toen onze directeur Bedrijven afgelopen donderdag met lede ogen zag hoe klanten zich moeizaam een plekje konden bemachtigen, op de overvolle parkeerplaats, nam hij actie. Die parkeerplaats is bedoeld voor klanten, en voor een aantal collega’s zijn plaatsen gereserveerd, naar gelang hun functie.

Elke collega die niet legaal stond geparkeerd, had dus tien minuten de tijd om zijn of haar bolide weg te halen, of te voorzien van de benodigde parkeerkaart. De rest van de auto’s zou daarna worden weggesleept door een bergingsbedrijf, indien er niemand zich zou melden. Na de prikkel, die overigens een flink effect had op een klein aantal "wanparkeerders", werd het bergingsbedrijf ingeschakeld om de overgebleven auto’s te laten wegslepen. Binnen een kwartier draaide de gele takelauto, met man in oranje pak, het terrein op en hing het gebouw aan de westelijke vleugel bijna scheef van het publiek dat zich verdrong achter het glas.

Inmiddels hadden de laatste collega’s hun auto nog net op tijd kunnen "redden", en bleef er nog ééntje staan zonder kaart. De man van het bergingsbedrijf, die al stond te trappelen, kon eindelijk aan de slag om de Renault Espace op te hijsen. Espace? Maar, die is toch van..? De auto hing al in de takels toen onze directeur Bedrijven naar buiten kwam rennen...

"Potverde-potver, dat is míjn auto, dat kun je niet maken!" Maar waarom niet? De opdracht had hij toch immers zelf gegeven? Enigszins verbouwereerd door zijn eigen actie, maar met een brede grijns, spoedde hij zich toch maar naar binnen om zijn kaart te gaan zoeken. Collega's vermaakten zich zichtbaar achter de ramen, uiteraard benieuwd naar de afloop. Kort daarna kwam hij weer naar buiten, gewapend met kaart, en de man in het oranje kon zijn katrollen weer opbergen. Natuurlijk, ook een directeur is maar een mens. Maar het spel werd correct uitgespeeld, en een gewaarschuwd mens telt zeker voor twee...

Want het is toch erg vervelend dat je de volgende keer niet op tijd thuis kunt zijn voor het eten, als je eerst nog je auto moet zoeken...

zaterdag 21 februari 2009

Crisis of carnaval...

Je zou voor de aardigheid de krant eens moeten opslaan en tellen hoe vaak het woord "crisis" voor komt. Ik ben opgehouden met tellen, want daar is geen beginnen meer aan. In het gesprek gaat het overal over de crisis, DE CRISIS!!!.

Crisis? Welnee, we zijn gewoon een stelletje verwende, ontevreden en onmogelijke welvaartsbeesten geworden. Doorgeslagen in luxe, weelde en gebruiksgenot op alle fronten! We hebben de nieuwste mobieltjes, hi-tech-color-screens, twee auto’s, drie inkomens, tennisles, internet op de wc, zestig paar schoenen in de kast, we eten drie keer in de week buitenshuis, we kopen massaal in met kerst, we hebben elke dag stromend water, we slapen in een gewoon bed in een verwarmd en geïsoleerd huis, en toch...crisis?

Laten we elkaar niets wijs maken. Iedereen lult elkaar gek over die stomme crisis. Natuurlijk, de groei is er uit, maar dat is toch logisch? Het kon toch niet uitblijven, als reactie op onze ziekelijke drang naar sneller, meer, beter en groter? De economische, voortrazende trein steunt en puft, en komt gelukkig eindelijk eens een keer, krakende, tot stilstand. En beter zo dan met die absurd hoge snelheid opeens tegen een betonnen muur aan knallen, want dan zijn de gevolgen helemaal niet meer te overzien.

En natuurlijk is het niet leuk als je je baan kwijt raakt, maar het is nog niet het eind van de wereld. We hebben een goede sociale wetgeving, en wie wil, kan werken. We zijn toch het land van positief denken? Maakt het dan nu maar eens waar in plaats van elkaar het graf in te lullen over die crisis, want je zult het nu meer dan ooit nodig hebben als je in een situatie terecht komt die je niet zo gepland had...

Het is carnaval deze week. Ik heb er zelf niets mee, maar dan denk ik, mensen ga lekker carnaval vieren. Kun je beter doen dan elkaar depressief te lullen over die crisis...

Crisis of carnaval? Misschien is het allebei wel even lachwekkend...

zondag 15 februari 2009

Diepe sporen...

Het heeft licht gesneeuwd vanmorgen in Norg. We hadden nog niet eens het gordijn geopend, en je kon het al merken aan de lichtval in de kamer. Licht, anders licht dan anders. Zondagmorgen, de daken wit, en de straten nat. Na het ontbijt liep ik tussen de bomen door, het witte pad af, naar het kerkje aan de markt in het centrum van het dorp. Het zou na jaren zijn dat ik weer een kerkdienst zal gaan bezoeken, en dan kan het gebeuren dat je er zomaar weer naar toe wordt getrokken. Nou ja, zomaar...

De klokken laten al een paar minuten hun geluid horen, en ik waan me in een klein dorpje ergens in de Oostenrijkse Alpen. Als ik de ingang van de kerk nader schuift een man wat heen en weer in het duister van het portaal. Hij draagt een vest van het merk "duur", en ik maak een ochtendpraatje.
Binnen rangeer ik de kerkbank in, en neem mij voor passief mee te doen en alles op mij af te laten komen. Er is veel gebeurd in die jaren nadat ik voor het laatst een dienst heb bezocht, oktober 2000 moet het zijn geweest...

Er zijn niet meer dan hooguit 35 bezoekers in het kleine kerkje. De muren wit gepleisterd, het schip aan de achterkant met zijn koepelgewelf, een kruis helemaal achterin. De zijkant, rechts hoog in de lucht de preekstoel, en een gering aantal stoelen ervoor. De rest, in het gedeelte aan de voorkant waarin ik plaats had genomen telde een evenzeer klein aantal rood gekleurde kerkbanken. Maar er hangt hier iets, en dat voelt goed. Mijn gedachten gaan terug naar mijn jeugdjaren, waarin kerkgang vanzelfsprekend was, en we gedachteloos, (of juist niet), achter vader en moeder aansjokten, die lange weg naar de kerk. Het orgel speelt, de liturgie voorgedrukt, en de rode psalmboeken prijken overal al in de kerkbanken.

Ik ben een tijd actief geweest in het in het kerkelijke wereldje. Alles heb ik meegemaakt, verbroedering, maar ook afschuw en machtspolitiek. Ook in de kerk zijn we maar gewoon mensen van vlees en bloed, en kunnen elkaar aardig naar het leven staan. Maar ik ben hier niet voor niets, en heb me voorgenomen te genieten van de muziek, de geuren, de stilte en het mystieke van alles wat op dat moment mijn hart zou kunnen raken. Vergeten en opnieuw beleven. Niet laten afleiden door alles wat door mensen gemaakt is, maar me laten drijven, daar waar mijn gedachten me heen voeren.

Soms met ingehouden tranen, en dan weer bezinnend en scherp, terugkerend in een scherp gevoel van opstandigheid aanschouw ik de mensen om mij heen. Ik voel de weerzin tegen het kerkelijk spel, dat vaak weinig meer met de beleving zelf heeft te maken. De liturgie, die wordt “afgespeeld”, zoals het draaiboek voorschrijft. Het welkomstwoord, de dienst der gebeden, de collecte, de preek, het murmelen van het onze vader, en het slotlied. Maar ik laat me er dit keer niet door afleiden. Ik ben hier voor mezelf en niemand anders, en het is goed. Ik weet dat ik door iemand of iets hier naar toe gebracht ben, en het voelt goed.

En na de dienst is er koffiedrinken. Ik maak een praatje met een hoogbejaarde heer met hoorapparaat. Al snel werd ik vervolgens aangesproken door een andere, wat jongere, man die duidelijk een opdracht heeft: "Bent U nieuw ingekomen?", zoals ze dat dan noemen in kerkjargon. Ik vertel mijn verhaal, en dat we hier alleen de weekenden verblijven. En ze hadden ook nog een organist nodig...

Het handjevol mensen is al lang weer verdwenen als ik als een van de laatsten de kerk uit loop.

De sneeuw is verdwenen, als ik via het portaal het kerkje weer verlaat. Ik verlang naar het voorjaar...en koffie bij Janny.

dinsdag 10 februari 2009

Alles goed?

Weten we nou niet beter of denken we gewoon niet meer na? Natuurlijk is alles niet goed. Dat kan niet. Maar tóch zeggen we het, als we elkaar een kortere of langere tijd niet hebben gezien. Alles goed? Ja hoor, de hond is dood, de buurman heeft kanker, ik heb een fikse belastingaanslag, de auto is stuk en mijn vrouw is depressief. Maar voor de rest is alles goed...
Beetje flauw natuurlijk, maar je maakt mij in ieder geval niet wijs dat er nooit helemaal niets is wat niet goed is. Er is altijd wel wat.

Ik zou het dus niet gauw in mijn hoofd halen om met deze holle, lege woorden een gesprek te beginnen. Het is natuurlijk allemaal erg goed bedoeld en iedereen moet dat lekker zelf weten, maar eigenlijk is het een vraag die niet past als je iemand een poos niet hebt gezien. Je kunt natuurlijk ook gewoon zeggen, hoe gaat het met je? En dan nog vraag ik mij af, als ik sommige gesprekken wel eens volg, of die ander wérkelijk geïnteresseerd is. Als ik zie hoe de "belangstellende" nog vóór dat die ander drie woorden heeft uitgesproken, overschakelt naar zijn éigen werk, begin ik sterk te twijfelen naar de echtheid van zijn of haar interesse...
Want zeg, wat ík toch heb meegemaakt laatst...

Ach, we zijn er zo mee opgevoed, en niemand denkt er meer bij na. En wat je zegt is, wat je aangeleerd hebt. Wat maakt het nog uit, als je het maar goed bedoeld, zo is het toch? Alles goed?

Het zou best eens kunnen...

zaterdag 7 februari 2009

Een beetje...

Vandaag de eerste van een serie columns over het gebruik van onze Nederlandse taal.

Taal verandert, taal is dynamisch en taal is cultuur. Verwevenheid met taal hangt samen met hoe je in het leven staat. Taal is een hulpmiddel om te communiceren op allerlei manieren, en tegenwoordig zijn we rijkelijk voorzien in de verschillende mogelijkheden.

Als je gevoelig bent voor taal dan vallen er elke dag wel dingen op. Gewoon in de dagelijkse omgang, met collega’s, thuis, op televisie of op het internet. Maar het is vooral de manier waarop we ons uitdrukken, en dat typeert onze cultuur en omgangsvormen, buiten het correct Nederlands in grammaticale zin, want daar ga ik het niet over hebben. Een voorbeeld:

Gisteravond sprak Balkenende zich uit over de economische crisis. De prijzen in de autobranche “kelderen naar beneden”, zei hij. Grammaticaal gezien natuurlijk helemaal fout, want, heb je wel eens prijzen naar bóven zien kelderen? In dit geval had onze minister president kunnen volstaan met "de prijzen kelderen".

Taal is cultuur, taal is voelen, taal is luisteren, taal is interpreteren, taal kan misleiden en taal kan zelfs oorlogen ontketen. Want het gaat er altijd om, hóe je het zegt, wannéér je het zegt, en tegen wíe je het zegt. Maar vooral, dat je ook zegt wat je bedoelt. En daarin verdwalen we nog wel eens in vaagheden en dubbelzinnigheid en zeggen we soms dingen precies andersom dan dat we bedoelen. En dat kan natuurlijk allerlei leuke, en minder leuke of zelfs rampzalige consequenties hebben, en kunnen goede bedoelingen een geheel eigen leven gaan leiden.

Taal. Dat gaat dus eigenlijk over u en ik.

Een uitspraak die veel wordt gedaan, door bijvoorbeeld bestuurders, is deze. “Dat willen we toch wel een beetje voorkómen.” Een beetje? Dat klinkt niet erg daadkrachtig. Ik krijg altijd zo’n weeïg gevoel als ik zoiets hoor. Zijn dat nou mensen die een land moeten besturen of die ergens voor willen gaan? Een beetje? Hou toch op zeg. Als je ergens volledig voor wilt gaan dan is dat geen “beetje”, maar gewoon voor de volle honderd procent.

Ook als het om emotie gaat, hebben mensen vaak de neiging zich voorzichtig uit te drukken: “daar ben ik toch wel een beetje boos over…” Meestal bedoelen we dan, ik ben gewoon hartstikke kwaad! Of als je lekker hebt gegeten en de gastvrouw vraagt, heeft het gesmaakt? “Tja, heerlijk, maar wel een beetje veel…”
Een beetje veel? Dat kan niet. Het is veel, genoeg, of het is niet veel. Maar niet een beetje veel…

In dit geval is het een beleefdheidsnorm, en heel menselijk om je dan niet al te scherp uit te drukken om de gastvrouw niet te beledigen. En eigenlijk het zo dat je gewoon te veel gegeten hebt, en er niet voor uit wilt komen.

Een beetje…

Het straalt iets uit van onzekerheid, niet weten wat je wilt. Onze taal is een kostbaar bezit. Laten we er “beetje” zuinig mee omgaan...

vrijdag 6 februari 2009

Curacao, 26 februari t/m 11 maart 2008, (slot)

Maandag, 10 maart 2008
Alsof er geen twee mensen vanavond afreizen naar het polderlandje aan de zee, gaat Curaçao gewoon door…De troepia's fladderen met hun schetterend geluid af en aan in de struiken, de vuilniswagen ronkt om acht uur in de straat, de honden blaffen, het ochtendlicht doet in een kwartier tijd de schemer verdwijnen, en de blauwtjes, (kleine leguaantjes die giftig schijnen te zijn), rennen door de tuin achter de porche.

Als we opstaan is Henny al naar zijn werk, en zal vanmiddag iets eerder thuis zijn om ons naar het vliegveld te brengen. We zitten buiten aan de koffietafel, en we zeggen een poosje niets tegen elkaar. Allebei hebben we zo onze eigen gedachten. Het afscheid nemen is altijd een persoonlijk proces, en zoals na elke vakantie, is er een moment dat het genoeg is geweest, en we, “de kop op huis hebben staan”. We bespreken de dingen die vandaag aan de orde zijn, en beginnen ieder aan ons eigen “werk”.

Dat gaat bij ons overigens nog steeds vanzelf, en het heeft eigenlijk geen organisatie nodig. Het huis moet schoon, de koffer moet ingepakt, er moet geschreven worden, en van tijd tot tijd gechecked op internet of de KLM736 nog steeds “on time” is. Het is een beetje irritant als je vroeg genoeg aanwezig bent, en op het vliegveld hoort dat het ding “delayed” is en uren later vertrekt.

Maar de vertrektijd blijft keurig staan op 19.00 uur. We gaan aan de slag, en drinken veel koffie tussendoor, eten yoghurt met vruchten, en drinken weer koffie. Een tropische regenbui klettert plotseling langs, en het water komt met bakken uit de hemel.

Twee minuten later is het weer droog en schijnt de zon weer uitbundig tegen een strak blauwe hemel. De vogels komen weer tevoorschijn en een duif schudt op het hek zijn veren droog. Een kolibrietje, (geen idee hoe je het schrijft en het stoort me op dit moment om het op te zoeken), kan maar amper stilstaan in de lucht door zijn gewicht aan water en zoekt gauw haar steunpunt op een boomtak. Ondanks dat we rijkelijk genoten hebben van deze typische tropentaferelen, is het net alsof je vandaag alles nog een keer in je geheugen wilt plakken. Het vliegtuig is vanavond onverbiddelijk, en binnen een paar minuten ben je ver weg van alles.

Toch wint het terugkeergevoel het van het afscheidsgevoel, maar dat maakt juist beide belevingsvormen bijna volmaakt, zou ik haast zeggen…Als het goed is geweest heb je iets om op terug te kijken, en kun je met extra dimensie genieten van je thuiskomst. De bewéging is voor mij altijd belangrijker geweest, dan het ergens zíjn. Want wat is er, als je ergens bént daarna nog te doen? Niet de plek zélf, maar de beweging er naar toe doet leven…De plék is tijdelijk, vervaagt, en verdwijnt uiteindelijk in het universum, maar de beweging is er altijd!

We pakken de koffer in, en met alle rotzooi die we gekocht hebben kan het deksel net passend dicht. We hebben het dus heel goed gedaan, of juist niet. Het is maar net hoe je het bekijkt…
Tijdens het inpakken van de handbagage bedenk ik me ineens dat het in ons geval handiger is om alles wat je in het vliegtuig bij je stoel wilt hebben in één compartiment van de rugzak te pakken. Dat is handiger bij het settelen in het vliegtuig wanneer iedereen in het gangpad staat en er altijd langs moet als je de boel “uitpakt”. Kwestie van een enkele greep achter één rits en de boel op je stoel flikkeren, en hoef je niet te zoeken. Zeker in ons geval, omdat we op stoel A en B zitten in de rij, (links bij het raampje en de stoel er naast). Je kunt dan niet steeds bij je handbagage boven in het rek waarbij je herhaaldelijk over de persoon, op stoel C, heen moet kruipen…Zo leer je elke keer weer, ondanks dat het reizen steeds gewoner wordt.

Tegen de middag zijn we klaar. Het huis is schoon, de boel is gepakt en staat “geparkeerd” in de gang. We doden de tijd met lezen op de porche en wachten tot Henny thuis komt. Het inbraakalarm gaat nog een keer piepen, en geeft aan op het display dat er troubles zijn…
Ik sms Henny, en ik krijg een berichtje terug dat het geen kwaad kan, en dat de batterij waarschijnlijk leeg is.

Om drie uur komt hij met de auto het erf oprijden en een uur later vertrekken we naar het vliegveld. We rijden nog langs “Centrum” om de toegestane hoeveelheid tabak aan te vullen, (in Nederland is het twee keer zo duur). Bij de incheckbalie op het vliegveld staat al een flinke rij maar er zijn vier desks open en het inchecken gaat vrij vlot.

Als we de koffer kwijt zijn en de formaliteiten zijn geregeld lopen we naar buiten. Even verderop is een geschikt tentje waar waar we onder het genot van een biertje de laatste dingen “bespreken”. Omdat eigenlijk alles “klaar” is en er, zoals altijd in deze vertreksituaties, weinig meer uit is te wisselen vermaken we ons met de locals die onwaarschijnlijke hoeveelheden eten naar binnen werken, en volgen we het reizigersverkeer. We zitten er twintig minuten en we lopen daarna terug naar vertrekhal.

Het moment is daar om afscheid te nemen. Ik geef mijn zwager een stevige handdruk, en ondanks dat ik probeer bij dit soort dingen altijd gewoon te doen alsof je elkaar morgen weer ziet, zit er toch wat vast in je keel.
Janny neemt innig afscheid van haar broer, en er komt een brok bij. Zo gaat dat op vliegvelden, zo gaat dat als het goed is geweest, zo gaat dat bij weerzien en afscheid nemen…

C’est mourir un peut, zo omschreef een Franse schrijver het destijds, afscheid nemen is een beetje sterven…

We lopen de trap op, bovenaan zwaaien we nog een keer en Henny verdwijnt tussen het reizigerspubliek richting de uitgang van Hato. We zijn weer alleen, en we lopen door de nodige controles. De schoenen moeten zelfs uit en als we uiteindelijk bij gate 5 komen, staat er nog een ander vliegtuig te wachten, dat nog niet klaar is met haar procedures.

Uiteindelijk lopen we om kwart over zes, dit keer als eerste, de slurf door en tegen verwachting in vertrekken we gewoon op schema en rolt het blauwe gevaarte om 19.00 uur naar de startbaan. De captain spreekt de bemanning toe” take your seats, we’re ready for take off..”, en zonder stil te staan wat meestal gebeurt vlak voor aanloop, brullen de motoren en knallen we de baan over.

De palmbomen schieten voorbij, de machine komt na enkele ogenblikken los van de grond en maakt meteen een scherpe bocht naar links. Bijna oneerbiedig, zou ik haast zeggen, om op zo’n manier zomaar weg te vliegen van dit prachtige eiland. Curaçao glijdt snel onder ons weg in de diepte, en maakt plaats voor de oceaan die geruisloos schittert in de ondergaande zon…

Beren, we komen eraan! We komen naar huis, daar waar onze ouders wachten, daar waar boeren hun vrouwen zoeken, daar waar het water weer gewoon warm uit de kraan komt, daar waar de heide bloeit op de Lemelerberg…
Het eentonig gezoem van de KLM-machine maakt ons slaperig. De “rode”horizon steekt af tegen het donker van de nacht waar we snel zullen in glijden.

“Wilt u koffie of thee bij het eten…?”

woensdag 4 februari 2009

Curacao, 26 februari t/m 11 maart 2008, (deel 14)

Zondag, 9 maart
Toch een beetje “dubbel”, om vandaag, (de dag dat we vertrekken), het verslag te schrijven van gisteren. Het is net of je al een beetje op reis bent, en de herinneringen al beginnen te spoken. En die herinneringen van gisteren, (zondag dus), zijn dus in feite geen herinneringen maar nog steeds de werkelijkheid van Curaçao.

Maar zoals ik altijd heb gedaan schrijf ik pas de volgende dag in de nacht of vroeg in de ochtend mijn dagverslagen. Dan ben ik frisser en bovendien kan ik gemakkelijker putten uit een vat waarin de gebeurtenissen zich al netjes hebben opgestapeld en gerangschikt. Anders wordt het opsomming van simpel de feiten, zonder dat daar iets mee gebeurt. De gebeurtenissen moeten emotioneel en technisch zijn verwerkt in het brein...

Vandaag dus zondag, de day before leaving...Niet zoals twee weken terug, toen we uit Nederland vertrokken, en we slechts bezig waren met de reisperikelen. Nu is het anders omdat je rekening houdt met andere zaken. Hoeveel geld geven we nog ongeveer uit, wat willen we nog zien, uitwisselen van foto’s, etc.

Vanmorgen zijn we rustig opgestart, gewoon wat aanklungelen met koffie en ontbijt, en daarna is Henny gaan hardlopen bij Jan Thiel. Ik heb overigens zijn voorbeeld opgevolgd door de yoghurt, gemengd met muesli, aan te vullen met appelstroop. Bijzonder lekker!

Omdat Henny met zijn motor wel een klus heeft voor een paar weken, proberen we, als hij terug is, het gevaarte op de porche te krijgen. Het toegangshekje is voor dit doel al gesloopt, want anders zou de opening tussen de twee muurtjes te smal zijn. Het zou net kunnen, en de motor gaat er doorheen. We houden ongeveer een halve centimeter aan beide zijden over. Tafel aan de kant geschoven, want het ding moet op zijn plek worden gedraaid in het hoekje.

Zo klungelen we nog wat aan met koffie, en de plannen voor vandaag. Tegen elven pakken we de auto en rijden we richting de St. Jorisbaai in het oosten, dus aan de kant waar Henny woont. Hier zijn we nog niet geweest, en het is een heus wildwesttafereel. We rijden over een grote vlakte, met lage begroeiing van doornachtige planten en hoge cactussen. De bodem is droog, steenachtig en rood van kleur. Er zijn hier en daar wat paden gecreëerd, en als je de weg niet kent kun je er gemakkelijk verdwalen. Hoewel er wel een oriëntatiepunt steeds opduikt, en dat is de rij met ongeveer twintig windmolens aan de kust, zoals we die bij ons in de polder ook vinden.

Hier en daar zijn flinke partijen afval van oud ijzer, autobanden etc gewoon in de natuur gedonderd, en geregeld vind je gewoon een oude auto liggen We rijden door het gebied heen, en je zou elk moment een “kudde” indianen verwachten als we niet in 2008zouden leven. Alweer een nieuwe opmerkelijke ervaring dus in dit relatief kleine, maar toch afwisselende, Curaçao.

De Jeep brengt ons langs de twintig windmolens en we naderen de kust. Hier stoppen we geregeld om foto’s te kunnen maken van de Boka’s en natural bridges, waar het water bruisend onder door stampt. Uiteindelijk komen uit bij Boka Play’i Kanoa. In de tijd dat Janny hier was, was er een uitgebreide “snack” met houten terrassen over het water gebouwd. Er is niets meer van over, en het deed me denken aan de dorpjes die we in Kroatië hebben gezien. Alsof de exploitant van de een op de andere dag er zo uit is gelopen, en de natuur het zaakje compleet heeft overgenomen. Restanten van de kleine stenen gebouwtjes zijn achtergebleven, helemaal doorwoekerd met planten. Het hout van de steigers en vlonders is nagenoeg weggevreten door het zout, en er staan nog ijzeren frames overeind die het zaakje bij elkaar hielden. De bar is nog in tact, en is alsof de geest van de eigenaar er nog rond spookt. Er kan van alles zijn gebeurd, een beroving, een moord, een ongeluk. En het eiland nam daarna het hele zaakje over...

We rijden even verder en komen op een plek waar we wat kunnen drinken. Het is alsof we zo door lopen de zee in...De rieten “kap” over het terras heen, geeft uitzicht over de baai er achter, en palmbomen wuiven ons vanuit een natuurlijk gevormd, “binnengebied”, tegemoet.

Het is een oase van rust, en het tentje wordt gerund door de plaatselijke bevolking. We hebben een riant plekje helemaal in het hoekje en we zitten er een poos, genietend van een biertje, en de prachtige wereld om ons heen. We zeggen een poos niets, en we zijn even volledig overgeleverd aan dit plekje, op onze planeet die aarde heet...

Mijn gedachten gaan terug naar Nieuw-Zeeland, waar ik van dezelfde dingen kon genieten, maar irritant werd gehinderd door de gedachte aan thuis, aan Nederland. Zou ik ooit mijn moeder, toen 80 jaar, ooit nog weer zien? Zou ik me hier ooit op mijn gemak voelen, en deze plek als mijn thuishaven kunnen gaan beschouwen? Het waren eigenlijk geen vragen toen, maar zekerheden die me terugtrokken naar mijn geboorteland, waardoor ik nooit écht heb kunnen genieten van al het moois van de ongerepte natuur daar. Nu is het anders. Morgen vliegen we weer naar huis, naar Kampen, naar de IJssel, de beren, naar de Lemelerberg...

Daarom is het ongestoord genieten tot en met de laatste dag op Curaçao dit keer ongehinderd door gevoelens die, me toen in de war brachten, waar is mijn thuis...?

We verlaten het tafereel het we rijden naar de Vaerserbaai, om een strandje te pakken, te zwemmen, en wat te luieren. We zijn nog net te vroeg voor happy hour maar we doen gewoon wat doen. Het snorkelen is hier niet zo heel erg spectaculair, en het maakt hier een groot verschil op welke plek je bent. Soms vindt je niet meer dan een paar lullige visjes, en ergens anders is het flink raak.

Rond zes uur, als de zon nog twintig graden boven de horizon staat, en haar brede schijnsel over het water doet glinsteren, verlaten we het strand. Het is genoeg geweest, en onze lichamen zijn van binnen en van buiten verzadigd. We halen een chineesje bij de “take away”, en als we weer buiten staan is het donker. Zo, snel gaat dat hier. Het eten is heerlijk en de avond is kort.

Henny moet morgen weer gewoon werken, en wij zullen morgen nodig hebben om de boel schoon te maken en in te pakken. Ik kijk nog op de website van de KLM, om in te checken, er schijnt geen vlucht bekend te zijn op dit nummer. Morgen kijk ik wel even op ik op de site van HATO-Airport of de vlucht überhaupt wel gepland staat. We zullen het zien. Ik heb al van alles meegemaakt en het zou mij niet vreemd zijn als we gewoon een dag later zouden moeten vertrekken...

Buiten is het stil geworden, het licht op de porche is uit, de motor van Henny staat op zijn plek, en het “ford” is afgegrendeld voor de nacht die komen gaat...